Instant Search

A Stylish Magazine for Men

Grönefeld horloges – Glimmies uit het oosten

De gebroeders Grönefeld oogsten de afgelopen jaren internationale roem met hun in de Oldenzaalse Steenstraat ontworpen en gebouwde uurwerken. Gentlemen’s Watch toog naar Twente en vroeg ze naar hun werkwijze. “Kom binnen,” zegt Bart Grönefeld, terwijl hij de deur openhoudt, “maar let niet op de rommel. Het was ooit de bedoeling hier een winkel van te maken, maar er kwamen steeds zoveel nieuwsgierige mensen kijken…”

We zitten in de ‘huiskamer’ van de winkel die geen winkel meer is: fauteuils, een dressoir, een salontafel grotendeels in beslag genomen door een stereo-installatie waaruit her en der mysterieuze glazen buisjes omhoog steken. Langs de wanden vitrines met oorkondes en gewonnen bekers, onder meer de prestigieuze Grand Prix d’Horlogerie de Geneve. Ze wonnen de prijs maar liefst twee keer, in 2014 voor de Grönefeld Parallax Tourbillon 1912 en vorig jaar voor de Grönefeld 1941 Remontoire; een horloge met een bijzonder verhaal dat begint in de Plechelmusbasiliek vijftig meter verderop, in de kerkklok die elke kwartier slaat – een geluid dat diep doordringt in de ruimte waar we ons bevinden. De Grönefelds kennen het uurwerk ervan als geen ander. Opa Grönefeld was als klokkenmaker verantwoordelijk voor het onderhoud, daarna nam hun vader het over. Bart en Tim vormen de derde generatie klokkenmakers. “We kwamen daar van jongs af aan,” zegt Bart, de oudste van de twee broers. ”Dat was zo’n spektakel, elke dertig seconden draait er van alles rond, echt een mechanische kermis. Wij moesten dan van vader uit de buurt blijven, want anders liep je het gevaar een klap van de wiek te krijgen.”

Het mechanisme dat in de kerkklok voor dat spektakel zorgde, heet een remontoire, legt Bart uit: “Het mechanisme draait zichzelf elke dertig seconden op, ‘ontlaadt’ dan met een klap, en zorgt er zo voor dat de veerkracht constant blijft.” De fascinatie voor de klok van de Plechelmus maakte dat de broers op goede dag besloten zo’n zelfde mechanisme in een horloge te bouwen. Tim laat zijn horloge zien. Een wonderlijk gezicht. Elke acht seconden draait een blinkend spoeltje eventjes razendsnel rond, waarna de minutenwijzer een klein sprongetje maakt, alsof het van iets elders in het uurwerk een oplawaai krijgt. “Je wacht acht seconden en dan gebeurt exact hetzelfde als in de kerkklok: baf! Mooi he! Het is eigenlijk een heel complex mechanisme om iets heel simpels te doen: het uurwerk nog nauwkeuriger maken.”

De interesse voor het vak kregen de broers met de paplepel ingegoten. De ouderlijke woning en de werkplaats grensden aan elkaar. “We liepen de hele dag van de werkplaats naar de keuken,” vertelt Tim, “we zijn opgegroeid met dat gereedschap om ons heen, zagen vader aan het werk. Mijn vader was mijn technische held. Hij vond overal oplossingen voor, het kwam altijd goed.” Na hun opleiding tot horlogemaker liepen de broers stage en werkten in Zwitserland waar ze van oude horlogemakers de fijne kneepjes leerden, leerden hoe schuine kantjes te schuren, leerden dat ook onderdeeltjes in het binnenste van het uurwerk, die geen mensenoog ooit te zien zou krijgen, dienden te worden gepolijst tot ze mateloos spiegelden.

Terug in Oldenzaal deden ze aftersales voor grote Zwitserse merken, werkten ze in opdracht, achter de schermen. “Maar op een gegeven moment wil je toch laten zien wat je kunt,” zegt Tim, “en als je aan andermans horloges werkt kom je dingen tegen waarvan je denkt: waarom doen ze dat nou zo, kan dat niet anders, beter?”

Roestvrijstaal bijvoorbeeld.

“Alle kloven zijn bij ons van roestvrijstaal,” zegt Bart.

Kloven?

Tim wijst op een foto van een van hun uurwerken: “Die plaatjes hier, die houden de radertjes vast. In Zwitserland gebruiken ze soms gewoon staal, dat is goedkoper om te verwerken, maar dan loop je toch een risico. Het is wel gebeurd dat we wekenlang aan een horloge werkten toen ‘s nachts een plotselinge temperatuurwisseling optrad. Het gevolg: gelijk sporen van roestvorming.”

Tim: “Dat wisten we gelijk zeker: als wij ooit voor onszelf beginnen wordt alles roestvrijstaal.”

Het interview is een half uur onderweg als ik mijn armen verberg en vraag wat voor horloge ik draag. “Een Swatch,” zegt Tim gelijk, “dat had ik als klein kind al, als iemand bij mijn ouders de winkel binnenkwam wist ik onmiddellijk wat voor horloge hij om had.”

Wat zegt zo’n Swatch over iemand?

“Dat jij misschien niet zo veel om kleding en dergelijke geeft,” zegt Tim.

“Het kan juist ook heel hip zijn,” werpt Bart tegen.

Tim: “Sommige mensen dragen de mooiste kleding en hebben daarbij een nep-Breitling om, dat snap ik niet. Voor driehonderd euro koop je al een mooi horloge, iets dat er tenminste classy uitziet.”

Bart: “Koop dan geen nep-Rolex, koop dan een echte Swatch.”

Tim: “Ja, dus wat ik net zei klopt niet, het is precies andersom.”

Er wordt hard gelachen.

Gekocht op een vliegveld in China, zeg ik.

Bart: “Is het wel een echte dan?”

Opnieuw hilariteit.

 

Misschien kunnen we even rondlopen, zegt Bart, dan krijg je een idee van wat we hier doen. We lopen langs posters van glimmende mechaniekjes, komen bij een antieke, staande klok. De wijzerplaat is een kakofonie van afbeeldingen en functies – onder meer dag, maand, sterrenbeeld, en maanstand. Een vloot driemasters deint met elke secondetik heen en weer terwijl ondertussen aan de hemel een engeltje met trompet de omgekeerde beweging maakt. Bart wijst: “… dit is volgens mij een kribbe, ach, het slaat eigenlijk nergens op.”

“Het is kitsch, maar toch wel mooi,” zegt Tim peinzend.

Zouden jullie zelf zoiets kunnen maken?

“Een horloge met maanstanden bijvoorbeeld zie ik niet snel gebeuren,” reageert Tim, “dat soort dingen hebben wij weinig mee, een horloge moet ook gewone wijzers hebben, geen rare schijfjes of zo.”

Het gaat om eenvoud?

We staan bij een ingelijste foto van de blauwwitte Cobra die de broers samen kochten, een als Spartaanse bekend staande sportauto.

“Een ijzeren kuip met een enorme motor, meer is het niet,” zegt Tim, “dat is de schoonheid ervan.”

“Hetzelfde bij die buizenversterker daar op tafel,” zegt Bart, “je hebt ook homecinema-installaties waar je honderdduizend dingen kunt instellen, maar deze heeft alleen een volumeknop.”

“Ik vind dat prachtig,” zegt Tim, “dat is ook zo mooi aan onze Remontoire.”

Schrijvers gaan in de loop van hun leven vaak steeds kaler schrijven, in andere kunsten gebeurt hetzelfde. Herkennen zij dat?

“Wij zijn ook begonnen met toeters en bellen,” zegt Bart, “ons eerste horloge noem ik de ‘tiktak en de dingdong’, het had een slagwerk waar je op de minuut nauwkeurig kon horen hoe laat het was. Na het slagwerk kwam de springende seconde, daarna de tourbillion. En ons laatste horloge geeft eigenlijk de tijd weer zoals…”

“…een horloge van de HEMA,” vult Tim hem aan.

Er wordt gelachen.

Bart: “Ja, zoals een heel goedkoop horloge; alleen maar tijd, alleen maar tijd.”

Als ze praten vullen ze elkaar steeds aan, zinnen worden halverwege overgenomen soms. Niet alleen ontwerpen ze samen, aan hetzelfde bureau, ze delen ook een sportwagen, gaan met z’n tweeën naar het café, zelfs hun eerste horloge was hetzelfde: een Ebel Chronograph met een El Primero-uurwerk – ‘”Het mooiste horloge in vaders winkel,’ zegt Tim, ‘dat was echt mijn droomhorloge. Achtduizend gulden kostte het. Daar moest ik een jaar voor sparen.” Ze doen alles samen, maar er moet toch een rolverdeling zijn?

“Tim is meer van de tiktak,” antwoordt Bart, “ik van de dingdong.”

Tiktak? Dingdong?

“Een horloge goed ‘tiktak’ maken betekent eigenlijk dat hij goed op tijd loopt: tiktak, tiktak, tiktak  – het hart van het horloge -, ‘dingdong’ staat voor horloges met slagwerken: complexe mechanismen.”

Hij pakt iets van tafel, een glimmend mechaniekje in een plastic houder.

“Het eerste uurwerk dat ik ooit maakte.”

Een belletje klinkt, zes keer, gevolgd door twee lagere tonen en tenslotte nog een klingeltje, zeven keer.

“Hij sloeg zes keer, toen één dingdong, dat staat voor een kwartier, dus kwart over zes, en daarna nog zeven slagen. Het is dus 22 minuten over zes.”

Ik heb dat nog nooit gehoord, dat ik over straat liep en dat dan…

“Nou ja, je moet het zelf activeren, er zit een schuifje op…”

 

We betreden de eerste verdieping. Aan de muur een schilderij van een lachende man. “Op een dag werden we gebeld door een onbekend veilinghuis: “We hebben een Grönefeld in de veiling,” zeiden ze. Ik schrok, dacht: dat kan toch niet waar zijn, onze horloges moeten naar Christie’s, of Sotheby’s, niet naar zo’n kleine prutsveiling. “Welke is het dan,” vroeg ik. “Man met pul bier,” antwoordde die man. Achterop het schilderij zat een sticker van opa’s winkel,’ zegt Bart, nog lachend, “ik heb het toen maar gekocht.”

Een opschrijfboekje komt tevoorschijn, een uit de losse hand getekende schets van een wijzerplaat. Het is de Grönefeld One Hertz, toen het in 2011 uitkwam het enige (post-kwartscrisis, red.) mechanische horloge ter wereld met een zogeheten ‘seconde morte’.

Tim: “Bij mechanische horloges gaat de secondewijzer normaal gesproken rond in stapjes zo klein dat de beweging als vloeiend wordt ervaren, een zogeheten ‘slepende seconde’. Bij de One Hertz, is het echter tak, tak, tak: de wijzer verspringt, tak, valt als het ware dood, als een guillotine, daar komt dat ‘seconde morte’ vandaan.”

“In het begin noemden we het wel ‘dead beat seconds,” zegt Bart, “toen kregen we vanuit Amerika te horen dat ‘deadbeat’ ook ‘mafkees’ betekent. Nou, dat klopt ook wel, schreef ik dan terug, daar is niks aan gelogen.”

Het begint bij ons altijd met een idee over innovatie in het uurwerk, zegt Tim: “Meestal als we ergens rustig samen zijn – in de auto, in het café -, daarna volgt de lay-out van de wijzerplaat, nog voordat we het mechanisme helemaal tekenen, dan kun je nog alle kanten op. De meeste merken werken andersom.” Ze schetsen met de hand, en als dat niet naar wens gaat, met opmerkelijke hulpmiddelen. Bart wijst naar de schouw in het midden van de kamer. Waar ooit een kachel snorde ligt nu een bonte verzameling linialen en felgekleurde radertjes. Het is Spirograaf – kinderspeelgoed. Ze lachen, “ja dat gebruiken we echt soms. Daarna gaat het in de computer verder hoor.”

Opa is hier onontkoombaar. Sigarenkistjes vol antieke boortjes, schroevendraaiertjes en tangetjes. Een vergeeld bonnenboekje uit 1912: Joh. Grönefeld, Marktstraat 3, Oldenzaal – speciaal adres voor onderhoud aan torenuurwerken, carillons en electrische uurwerken. Onderaan de bon tekeningen van alle kerken waar opa Grönefeld waakte dat de tijd niet uit het lood kwam te staan. “Onze ouders hadden de winkel aan de overkant,” zegt Bart, “daarin zit nu Piet Zoomers. Op de website staat dat we in hetzelfde pand zitten als onze ouders en opa, maar dat is een beetje een marketingverhaal.”

“Tim en ik hebben het merk opgericht, opa was puur reparateur/restaurateur,” zegt Bart, “het was natuurlijk mooi geweest als hij zelf tenminste één horloge had gemaakt waar Grönefeld op stond.”

“Misschien vinden we die ooit nog,” zegt Tim. Hij glimlacht.

Bart: “En zoiets kun je natuurlijk ook verzinnen, we zouden de eersten niet zijn.”

 

Het is alsof ze eigenlijk vinden dat hun horloges dat traditieverhaal helemaal niet nodig hebben, dat zo’n geschiedenis bij voorkeur met een glimlach, misschien zelfs met een knipoog, dient te worden uitgeserveerd. We betreden de bovenste verdieping. Schuine dakramen. Licht. Werknemers in witte stofjassen voorovergebogen over hun werkblad. “Nadat we alles hebben uitgetekend en een paar dagen met een dummy – een 3-D print van de kast, met een computerprintje van de wijzerplaat en een glaasje erop – hebben rondgelopen om te ervaren hoe het om de pols voelt, worden alle onderdeeltjes volgens eigen specificaties in Zwitserland besteld. Die komen dan hier als een hoopje ruw materiaal binnen en worden vervolgens afgewerkt en geassembleerd – dit is de plek waar het horloge tot leven komt,” zegt Bart.

“Elk onderdeeltje wordt bewerkt,” zegt Tim, “elke glimmie.”

Glimmie?

“Ja, een glimmie: een gepolijst onderdeeltje. Je bent altijd aan het schuren, aan het polijsten, pas aan het maken. Het is een uurwerk, maar het is tegelijk ook mechanische kunst. Het horloge wordt technisch niet beter van alle glim.” Lachend: “Je haalt je alleen een heleboel werk op de hals.”

De medewerkers nemen afscheid. Weekeinde. Tijd om op te breken. Een laatste vraag. Ze zijn al meer dan vijfentwintig jaar horlogemaker: zijn ze nu uitgeleerd? “We bedenken nieuwe oplossingen,” zegt Bart, “maar of dat betekent of we als horlogemaker ook echt beter worden….”

“We ontwikkelen wel nieuwe techniekjes,” reageert Tim, “steeds net iets mooier, maar dat kan een probleem vormen. We moeten wel oppassen dat we op een gegeven moment –en dat klinkt misschien raar– dat we te goed worden, dat we te mooi willen, want dan krijgen we nooit meer een horloge klaar. Dan wordt het onverkoopbaar. En, nou ja, dat kan ook de bedoeling niet zijn.”

Tekst: Hans van Wetering Beeld: Grönefeld

 

Suggested Posts

Vier het leven op zee…
Moordwijf
Snoepen in Zeeland