Instant Search

A Stylish Magazine for Men

Paradijs

Sinds ruim anderhalf jaar heb ik een dochter. Op zich geen opzienbarend nieuws, er zijn meer mensen met kinderen op de wereld,..

… maar de impact van zo’n klein wezen is desalniettemin vrij groot. Daar kwam ik onlangs weer eens achter toen ik na ruim twee jaar weer eens op vakantie ging. Vakanties waren voor mijn vrouw en mij normaliter niet veel meer dan bruin worden, uitrusten, boekje lezen, lekker eten en hier en daar een koud glas bier. We wisten dat dat met een kleine erbij wellicht anders zou worden, maar we hadden goede moed.

Die werd vrij snel de kop in gedrukt. Op Schiphol al, om precies te zijn. We hadden een lange reis voor de boeg, want we gingen naar Thailand. Ver weg, een slordige tienduizend kilometer, maar mijn vrouw en ik zijn er inmiddels vaak geweest, dus we weten wat we kunnen verwachten en dat is toch prettig als je voor het eerst op reis gaat met een anderhalf jaar oude peuter. We vlogen bovendien ’s avonds en aangezien de dochter nogal van het slapen is, dachten we: appeltje eitje, kat in het bakkie, niks aan de hand. Ook al omdat we een speciaal ding hadden gekocht. Een koffertje dat in een handomdraai tot bedje voor jonge kinderen viel om te bouwen. Best duur, 160 euro, maar gemaakt in Scandinavië, ergonomisch verantwoord, overladen met moeilijke designprijzen en wat is nou 160 euro als je er een slapend kind voor terug krijgt. We zagen onszelf al helemaal lekker een wijntje drinken en de laatste films checken, loom onderuit gezakt in de vliegtuigstoel, af en toe dromend van de Thaise zon die op ons wachtte, twaalf uur verderop.

Het liep anders.

Toen we het vliegtuig in liepen, vroeg de vrij vileine steward van Thai Airways of ‘dat’ een Jetkids-bed was – hij wees daarbij op het designkoffertje. Wij knikten mild wantrouwend van ja, waarop de steward kortaf meldde dat die dus niet in dit vliegtuigtype gebruikt mochten worden. Iets met het entertainmentsysteem onder de stoel, dat wij later ook na veelvuldig zoeken niet konden vinden. Dat maakte niets uit, dat wij het entertainmentsysteem niet konden vinden, want ons 160 euro kostende designbed mocht hoe dan ook niet gebruikt worden.

Dat begon alvast fijn.

Na drie uur in de lucht waren we uitgeput, alledrie. Van wijn en films was geen sprake, want dochter was klaarwakker en vond dat hele vliegen maar niks. Ze huilde, zeurde, wilde niet op haar stoel blijven zitten. Ze was dat ene kind in het vliegtuig waar mijn vrouw en ik in de kinderloze jaren altijd achter of voor of naast hadden gezeten en waaraan wij ons onmetelijk hadden geërgerd. Dat kind waarvan wij dachten: zo wordt ons kind nooit. Met ouders waarvan wij dachten: die hebben de boel niet onder controle. Precies dat kind hadden we. Precies die ouders waren we.

Het zweet brak ons uit, de paniek stond in onze ogen, de blikken van de medepassagiers om ons heen werden steeds venijniger.

En het werd nog erger.

Na vier uur was de dochter zo doodmoe en uitgehongerd dat ze er ziek van werd. Kon ook te maken hebben met het feit dat dezelfde steward per ongeluk bruiswater in de fles voor dochter had gedaan in plaats van plat water, waardoor ze de fles voor de rest van de vlucht niet meer vertrouwde. Ze was het zat. Letterlijk. Dochter braakte. Hard. Over zichzelf, over onze drie stoelen, een beetje over mij en veel over mijn vrouw. Overal zat braaksel.

Het cabinepersoneel kwam met wat tissues aanzetten, maar ze keken ons vooral heel boos aan, net als de rest van de passagiers.

Ik keek op mijn horloge: nog acht uur vliegen…

Nog niet zo heel lang geleden waren we een vrolijk gezin, op weg naar het paradijs. Dat paradijs leek ineens heel erg ver weg.

Tekst: Marcel Langedijk