Home / Column  / OP ZOEK NAAR SCHOONHEID – DEEL 3

OP ZOEK NAAR SCHOONHEID – DEEL 3

“Geen mens streeft ernaar om lelijke dingen te maken, maar bij mij overheerst functionaliteit, een gebouw moet perfect zijn…”

Tekst: Hans van Wetering

“Kijk, dit moet je even zien.” Een zonnige dag in juli, de KNSM-laan in Amsterdam, een kantoor in een oude loods, vanaf het terras zien we uit op het Noordzeekanaal waar schepen af en aan varen.

 

Op tafel ligt een krantenknipsel. “Dit kreeg ik vanochtend van mijn vrouw aangereikt. Ze zei: ‘Je gaat het over schoonheid hebben toch? Neem dit maar mee.’” ‘Een wonder van schoonheid’ luidt de kop boven het artikel. Het betreft een recensie van Paolo Sorrentini’s film La Grande Bellezza. “Dat zijn twee hele complexe dingen bij elkaar hè, wonder en schoonheid. Het heeft met elkaar te maken, maar wat schoonheid is laat zich zo moeilijk definiëren.”

Frits van Dongen (’s-Hertogenbosch 1946), voormalig Rijksbouwmeester en architect van internationaal met prijzen overladen gebouwen als de Harmonie in Leeuwarden, de Landtong in Rotterdam en The Whale in het Amsterdamse Westelijk Havengebied, is terughoudend als het erom gaat het begrip ‘schoonheid’ vast te pinnen, maakt omtrekkende bewegingen. Het heeft te maken met fases in je leven, de schoonheid van je kinderen, het kan je verrassen, maar nee, verrassing is geen noodzakelijke voorwaarde, en, opnieuw nee, het streven naar schoonheid is in zijn werk geen allesbepalende drijfveer, zoals mensen misschien vermoeden.

 

“Geen mens streeft ernaar om lelijke dingen te maken, maar bij mij overheerst functionaliteit, een gebouw moet perfect zijn. Je kunt natuurlijk volhouden dat in die perfectie schoonheid schuilt, maar tijdens het ontwerpen speelt het nauwelijks een rol.”

 

Het is een verrassende uitspraak, temeer daar Van Dongens gebouwen om hun schoonheid worden geroemd. The Whale heette in de pers ‘een walvis, met de staart in de lucht en de borst fier naar het IJ gekeerd’, heette een vis die zich verheft ‘boven de golven van de bruine, bakstenen laagbouw waarbij zijn zilveren schubben het zonlicht naar alle kanten weerkaatsen’.

 

Maar die vorm was juist de uitkomst van een rationeel proces, zegt Van Dongen: “De opdracht was om een gebouw van meer dan 200 appartementen te realiseren op een oppervlakte van 50 bij 100 meter. We begonnen met een rechthoekige platte vorm, maar dat werkte niet. Toen we het in de zoncomputer stopten, bleek dat de onderste verdiepingen te weinig licht kregen. Om toch voor bezonning te zorgen, hebben we de zijkanten opgetild, de hoeken van het gebouw eraf gesneden en er bovenop gelegd.”

Frits Van Dongen

Een gebouw moet ‘werken’, functioneel zijn, de vorm is resultante. Van Dongen herhaalt het telkens weer, als een mantra, bijna alsof hij de rol van schoonheid in zijn werk wil bezweren.

“Bij mijn allereerste opdracht ooit schetste ik een lang slingerend gebouw. De opdrachtgever vond het prachtig, maar de insprekende burgers zagen er niets in. In die tijd werd nog veel gerookt. De tafel in de projectruimte lag vol asbakken, luciferdoosjes en suikerklontjes. Met die rommel heb ik toen tijdens een bijeenkomst die slingervorm gemaakt en toen waren ze plotseling enthousiast, nu begrepen ze het gebouw. Is dat dan schoonheid? Esthetiek?”

 

Architect worden was geen jongensdroom. Hij twijfelde tussen de kunstacademie en een studie scheikunde, maar het eerste leek hem bij nader inzien erg vrijblijvend en het tweede saai, “met die dikke boeken van katholiek, flinterdun papier”. Iemand suggereerde bouwkunde. Hij ging kijken en was verkocht, vanwege het regime vooral: “’s Ochtends college, ’s middags oefeningen doen en ’s avonds wat leren, dat leek mij wel wat.”

 

Het romantische beeld van de architect als bevlogen kunstenaar met een roeping staat ver van hem af maar, verrassend genoeg, hij bewondert de Braziliaan Oscar Niemeyer, befaamd vanwege de betoverende sculpturale vormen van zijn gebouwen. “Ja, dat was echt een beeldhouwer. Ik ben vaak bij hem geweest in Brazilië. Ongelofelijk, dan maakte hij ter plekke een tekening, in één lijn hè, het potlood komt niet van het papier (Van Dongens hand zwiert door de lucht)… tadatadatada…. zo mooi! Zijn gebouwen ademen schoonheid, maar ze zijn ook eendimensionaal. Het ging hem om de schil, hoe het gebouw van binnen in elkaar zat, moesten anderen maar uitwerken.”

 

Over een andere ‘architect-beeldhouwer’, de Portugees Álvaro Siza (evenals Niemeyer winnaar van de Pritzker-prijs, de onofficiële Nobelprijs voor de architectuur) is Van Dongens veel minder enthousiast. “Ken je die kerk van hem met die deur van vijftien meter hoog? Dan denk ik: ja, mooi hoor zo’n deur, maar kan het een slokje minder? Wat dat betreft ben ik misschien ook een Nederlander.”

 

Terug naar het knipsel op tafel. En die film van Sorrentini dan, waarin je wordt weggeblazen door de esthetiek? “Mijn vrouw vindt het prachtig, maar het irriteert me ook wel ja, het is zo nadrukkelijk bedoeld om mooi te zijn. De films van Fellini vind ik fascinerend mooi, maar vooral door de bizarre verhalen. Het gaat mij dan toch om de inhoud, die bepaalt de kwaliteit.”

“Het slot van een schotbeweging, als de hand naar voren klapt, dat is net een stervende zwaan, dat ziet er zo ontzettend mooi uit.”

We lopen het kantoor binnen, aan de muur een maquette van The Whale. Elders is een muur van vloer tot plafond volgeplakt met bestektekeningen. Terwijl we koffie halen vertelt hij over zijn tijd als top-basketballer. “Het slot van een schotbeweging, als de hand naar voren klapt, dat is net een stervende zwaan, dat ziet er zo ontzettend mooi uit.” En over dat zijn kinderen zich ergerden dat hij altijd met z’n handen aan gebouwen zat: “Ik moet het materiaal voelen, niet alleen die grijze plaat zien, maar ook de korrelstructuur van het ijzer voelen.” Om de schoonheid te ervaren, moet je het gebouw betasten? “Bijna wel, ja”.

 

Van Dongen pakt zijn vorig jaar uitgekomen monografie uit de kast en slaat deze open. Musis Sacrum, het concertgebouw in Arnhem. “Is vorig jaar verkozen tot mooiste gebouw van Nederland.” Het klinkt achteloos en trots tegelijk. “De glazen wand achter het orkest kun je helemaal openschuiven zodat het orkest, wanneer het zich omdraait, naar het park toespeelt, met het park als auditorium. De buitenkant van het gebouw is van verschillende tinten groen keramiek, waardoor het als het ware in het park oplost. Het park wordt auditorium, het concertgebouw wordt park. Toen het klaar was en ik daar stond, dacht ik wel: dit is echt het mooiste dat ik ooit heb gemaakt.”

Je benadrukt functionaliteit en vakmanschap, maar telkens duikt toch weer dat ene woord op: mooi, zo mooi! “Ik cijfer het niet weg. Maar als je mij vraagt: wat is schoonheid, dan heb ik geen antwoord. Als ik vakmatig kijk, ja af en toe is het mooi. Is dat dan schoonheid?” Hij lacht: “misschien.”

Musis-Hall-Outide
Musis-Hall-binnen

DELEN WORDT OP PRIJS GESTELD

Review overview
NO COMMENTS

Sorry, the comment form is closed at this time.